Palestijnen profiteren niet van Israëlische nederzettingen

Bedrijven die hun activiteiten in de Israëlische nederzettingen proberen te rechtvaardigen met de claim dat zij bijdragen aan de werkgelegenheid van Palestijnen “proberen keihard de aandacht af te leiden van de Israëlische bezetting en de dagelijkse ontberingen van Palestijnen”, schrijft Who Profits? in een nieuwe studie. Who Profits? is een onderzoeksproject van de Coalitie van Vrouwen voor Vrede.

 

Bedrijven in de nederzetingen profiteren van de bezetting van Palestijns land en van de exploitatie van Palestijnse hulpbronnen. Zij krijgen economische voordelen en belastingvoordelen van de Israëlische regering en zij hebben toegang tot goedkope Palestijnse arbeid. Verder hebben zij voordeel van Israël's lakse toezicht op veiligheids- en milieuregels. Daarom kunnen vertegenwoordigers van bedrijven in de nederzettingen niet serieus worden genomen als zij zeggen dat zij voor de belangen van Palestijnse arbeiders opkomen.

 

Uitbuiting

 

In 2011 werkten rond de 37.000 Palestijnse arbeiders onder moeilijke omstandigheden in Israëlische nederzettingen in de bezette Westelijke Jordaanoever. In de industrie in de nederzettingen komen grove schendingen van rechten van arbeiders voor, omdat naleving van Israëlische arbeidswetten niet wordt afgedwongen. Palestijnse arbeiders verdienen in de nederzettingen bijvoorbeeld veel minder dan het Israëlisch minimumloon. Erger nog, hun salaris wordt vaak niet uitbetaald, hun sociale rechten worden aan hen onthouden en zij worden aan gevaar blootgesteld tijdens het werk.

 

Om in een nederzetting te mogen werken hebben Palestijnen een werkvergunning nodig van het  Israëlische civiel bestuursorgaan, een onderdeel van het ministerie van Defensie, dat toezicht houdt op de bezetting van de Westelijke Jordaanoever. De Shin Bet, Israel's binnenlandse veiligheidsdienst, ook wel bekend onder de naam Shabak, moet toestemming geven voor de toekenning van een werkvergunning en kan deze op elk moment weer intrekken. Betrokkenheid van arbeiders of hun familieleden bij vakbonds- of politieke activiteiten is een reden voor intrekking van de werkvergunning.

 

Tienduizend Palestijnse arbeiders die in de nederzettingen werken hebben geen werkvergunning. Zij werken voornamelijk in de Jordaanvallei tijdens de olijfoogst en de dadelpluk; sommigen van hen zijn kinderen van 12 jaar.

 

Beperkingen

 

Palestijnse arbeiders hebben geen voorkeur voor banen in de nederzettingen. Uit een door Who Profits? geciteerde studie van Dr. Majid Sbeih uit 2011 blijkt dat 82 procent van de Palestijnse arbeiders het liefst hun werk in de nederzettingen zou opgeven als er een passend alternatief zou zijn. De Palestijnse arbeidsmarkt is echter niet toereikend, omdat de economie in puin ligt na 45 jaar militaire bezetting door Israël. Voor economische ontwikkeling zijn private investeringen nodig, maar de door Israël opgelegde fysieke en administratieve beperkingen vormen het grootste obstakel voor dergelijke investeringen, volgens een rapport van de Wereld Bank uit 2012.

 

De economische ontwikkeling van de Palestijnse gebieden wordt verder belemmerd door de economische bijlage van de Oslo Akkoorden – het Protocol van Parijs – dat strenge beperkingen oplegt aan productie, export en import van goederen van en naar de Westelijke Jordaaniever en Gaza. Who Profits? schrijft:
“Dit handelsverdrag bevordert de vrije handel niet echt. In plaats daarvan beschermt het Israëlische en multinationale bedrijven tegen concurrentie van de lokale [Palestijnse] industrie. Deze situatie blokkeert de ontwikkeling van een onafhankelijke Palestijnse economie en wordt zo als een monopolistische markt voor Israël en internationale bedrijven behouden.”

 

Ter verantwoording roepen

 

Bedrijven in de nederzettingen zijn verantwoordelijk voor hun gedrag tegenover Palestijnen en zouden hiervoor ter verantwoording moeten worden geroepen. De databank van Who Profits? biedt een uitstekend overzicht van bedrijven die ondernemingen hebben in de nederzettingen. SodaStream is een van die bedrijven met als belangrijkste plaats van produktie Mishor Adumim, een industrieterrein gelegen in een illegale nederzetting in de Westelijke Jordaanoever.

 

Richard Falk, de speciale gezant van de Verenigde Naties voor de bezette Palestijnse gebieden, bracht de activiteiten van een aantal bedrijven over het voetlicht in een rapport aan de Algemene Vergadering van de VN. Falk noemde specifiek Veolia dat de Tovlan-vuilstort in de Jordaanvallei bezit en runt, het cosmetica bedrijf Ahava dat eigenaar is van een fabriek in de nederzetting Mitzpe Shalem en dat Palestijnse natuurlijke hulpbronnen uit de Dode Zee gebruikt, Mul-T-Lock/Assa Abloy met een fabriek op het Barkan industrieterrein, en Cemex dat als eigenaar van Israeli Readymix Industries verschillende fabrieken bezit op de Westelijke Jordaanoever.

 

Falk riep campagnevoerders op om “initiatieven tot boycot, desinvestering en sancties (BDS) voortvarend aan te pakken” tegen de in het rapport genoemde bedrijven totdat zij hun beleid en praktijk in lijn brengen met het internationaal recht en internationale standaarden.

 

BDS activisten moeten bedrijven uit de nederzettingen niet de kans geven om de aandacht af te leiden van de Israëlische bezetting en de uitbuiting van Palestijnse arbeiders met hun claims dat zij “arbeidsplaatsen bieden aan Palestijnen”. In plaats daarvan zouden zij het publiek eraan moeten herinneren dat alle Palestijnse vakbonden, politieke partijen en bijna alle Palestijnse maatschappelijke organisaties de oproep to boycot, desinvestering en sancties tegen Israël ondersteunen.